De 1:253a-procedure

Binnen het personen- en familierecht worden de meeste zaken ingeleid met een verzoekschrift. Onder de verzoekschriftprocedure valt ook de 1:253a-procedure die in deze blog onder de aandacht zal worden gebracht.

Artikel 1:253a BW

Dit wetsartikel biedt een ouder of verzorger die het gezag over een kind uitoefent, de mogelijkheid om een geschil met de andere gezaghebbende ouder of verzorger over dat kind voor te leggen aan de Rechtbank.

Het kan hierbij gaan om onder meer:

  • een gezagsgeschil (bijvoorbeeld toestemming om met het kind op vakantie te gaan of toestemming voor een verhuizing met het kind);

  • een geschil over de verdeling van de zorgtaken over het kind (bijvoorbeeld op welke dagen het kind bij welke ouder verblijft gedurende de schoolvakanties);

  • een geschil over de hoofdverblijfplaats van het kind (bij welke ouder het kind inwoont);

  • een geschil over de wijze waarop de ouders elkaar informeren en consulteren over hun kind (een ouder die geen informatie over zijn of haar kind krijgt van de andere ouder, kan de rechtbank vragen die andere ouder een informatieregeling op te leggen).

Een geschil over de verdeling van de kosten van de kinderen, zoals de hoogte van een kinderalimentatie, kan niet met een 1:253a-procedure aan de rechter worden voorgelegd. Hetzelfde geldt voor verzoeken om het ouderlijk gezag te wijzigen.         

Aanvang van de 1:253a-procedure

De 1:253a-procedure vangt aan doordat de advocaat van de gezaghebbende ouder een verzoekschrift bij de rechtbank indient. Het verzoekschrift is feitelijk een brief aan de rechtbank met het verzoek om iets te doen, zoals het geven van vervangende toestemming om met een kind op vakantie te gaan of een beslissing te nemen over de verdeling van de kerstvakantie.

Het verweer en de zitting

Nadat het verzoekschrift is ingediend, zal de Rechtbank een zittingsdatum bepalen. Lid 6 van artikel 1:253a BW schrijft voor dat de zaak op zitting moet worden behandeld binnen zes weken nadat het verzoekschrift is ingediend.

Voorafgaand aan de zitting kan de andere ouder een schriftelijk verweer en ook bewijsstukken indienen bij de rechtbank. Dit kan alleen door tussenkomst van een advocaat. Ook kan de andere ouder op de zitting reageren op het verzoekschrift van de andere ouder. Hiervoor is geen advocaat vereist, maar wel raadzaam.

De rechter zal tijdens de zitting proberen om een vergelijk tussen de ouders tot stand te brengen. Ook kan de rechter de ouders voorleggen om vrijwillig te gaan deelnemen aan andere vormen van conflictoplossing, zoals mediation of een ouderschapstraject.

Uitspraak van de rechtbank

Mochten de ouders geen vergelijk bereiken en een beslissing van de rechtbank nodig hebben, dan zal een schriftelijke uitspraak van de rechtbank volgen. De uitspraaktermijn bedraagt meestal vier weken.

Dit artikel is geschreven door mr. L.J.W. (Lennard) Govers van Bos Van der Burg Advocaten, gevestigd in Zoetermeer. Lennard is een deskundige advocaat en mediator op het gebied van familie- en jeugdrecht. U kunt contact met hem opnemen via 079-3203366 of via lgovers@bosvanderburg.nl. Zie ook http://bosvanderburg.nl.